Roepingenzondag 7 mei 2017

BOODSCHAP VAN PAUS FRANCISCUS VOOR DE 54e WERELDGEBEDSDAG VOOR ROEPINGEN, 2017
VOOR DE ZENDING DOOR DE GEEST VOORTGESTUWD

Beste broeders en zusters,
In de voorbije jaren hebben we nagedacht over twee aspecten van de christelijke roeping: de uitnodiging om ‘van zichzelf los te komen’ om de stem van de Heer te beluisteren, en het belang van de kerkelijke gemeenschap als een bevoorrechte plaats waar Gods roeping geboren wordt, gevoed wordt en tot uitdrukking komt.
Vandaag wil ik ter gelegenheid van de 54ste Wereldgebedsdag voor Roepingen nadenken over de missionaire dimensie van de christelijke roeping. Ieder die zich laat raken door de stem van God en Jezus navolgt, ontdekt spoedig in zichzelf een onstuitbaar verlangen om door evangelisatie en liefdevolle dienstbaarheid de Blijde Boodschap aan zijn broeders en zusters te verkondigen. Alle christenen zijn geroepen om missionarissen van het Evangelie te zijn. De leerling ontvangt het geschenk van Gods liefde niet voor zijn eigen persoonlijke vertroosting. Hij is niet geroepen om zichzelf te verkondigen of om de belangen van een bedrijf te vertegenwoordigen. Hij wordt eenvoudigweg geraakt en veranderd door de vreugde dat hij zich geliefd weet door God en deze ervaring kan hij niet voor zichzelf houden: “De vreugde van het evangelie, die het leven vult van de gemeenschap van de leerlingen, is een missionaire vreugde.” (Evangelii Gaudium, 21).
De missionaire inzet is dus niet iets dat toegevoegd wordt aan het christelijke leven, alsof het om een soort versiering zou gaan maar maakt daarentegen deel uit van de kern van het geloof. De relatie met de Heer sluit in dat men als profeet van zijn Woord en als getuige van zijn liefde gezonden wordt.
Hoewel wij ons broos kunnen weten en ons misschien ontmoedigd voelen, moeten we ons hoofd opheffen naar God en ons niet laten neerdrukken door gevoelens van onvermogen of ons overgeven aan pessimisme. Dat maakt van ons enkel maar passieve toeschouwers van een vermoeiend en routinematig leven. Hier is geen plaats voor angst. God zelf komt onze ‘onreine lippen’ zuiveren om ons zo klaar te maken voor de zending: “‘…uw zonde is verdwenen, en uw schuld bedekt.’ Daarop hoorde ik de stem van de Heer: `Wie zal Ik zenden, wie zal gaan in onze naam?’ Ik antwoordde: `Hier ben ik, zend mij’”. (Jes. 6, 7-8).
Elke leerling die zich gezonden weet, bemerkt in zijn hart deze stem van God die uitnodigt om naar de mensen te gaan zoals Jezus allen “weldoende en genezende” (cf. Handelingen 10,38). Ik heb er al eerder aan herinnerd dat elke christen dankzij de genade van het doopsel voor zijn broeders en zusters in feite een ‘Christophorus’, een ‘drager van Christus’ is. (cf. Catechese, 30 januari 2016). Dit geldt in het bijzonder voor hen die geroepen zijn tot een leven van toewijding en ook voor de priesters die edelmoedig antwoordden: “Hier ben ik,
zend mij”. Met een hernieuwd missionair enthousiasme worden zij geroepen om buiten de heilige ruimten van de tempel te komen om het mogelijk te maken dat de tederheid van God uitstroomt naar de mensen (cf. Homilie van de Chrisma mis, 24 maart 2016). De Kerk heeft zulke priesters nodig: sereen en vol vertrouwen, doordat zij de ware schat hebben ontdekt, en vurig verlangend om op weg te gaan om deze schat met blijdschap aan allen bekend te maken (cf. Mt. 13,44).
Er rijzen ongetwijfeld vele vragen wanneer we over de zending van de Christen spreken: Wat betekent het om missionaris van het Evangelie te zijn? Wie geeft ons de kracht en de moed om te spreken? Door welke evangelische logica wordt de zending geïnspireerd? Op deze vragen kunnen we antwoorden door drie scènes uit het Evangelie te overwegen: het begin van de zending van Jezus in de synagoge van Nazareth (cf. Lc. 4,16-30), de weg die Hij na zijn opstanding gaat met de Emmaüsgangers (cf. Lc.24, 13-35), en ten slotte, de parabel van de zaaier (cf. Mt.4, 26-27).
Jezus is gezalfd door de Geest en gezonden. Leerling-missionaris zijn betekent actief delen in de zending van Christus, die Jezus zelf in de synagoge van Nazareth beschreef met de woorden: “De geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden, dat zij zullen zien; om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer” (Lc. 4, 18-19). Dit is ook onze zending: gezalfd zijn met de Geest en naar onze broeders en zusters gaan om het Woord te verkondigen en voor hen een instrument van redding te zijn.
Jezus gaat met ons mee op onze weg. De vragen die in het hart van de mens opwellen en de uitdagingen die het leven met zich meebrengt, kunnen ons overweldigen en ons laten voelen dat we energie en hoop tekort komen. Het gevaar bestaat dat de christelijke zending ons iets louter utopisch lijkt of in elk geval iets dat onze krachten te boven gaat. Maar als we de Verrezen Jezus beschouwen die mee op weg gaat met de Emmaüsgangers (cf. Lc. 24,13-15), kan ons vertrouwen herleven. Deze scène uit het Evangelie is een echte ‘liturgie van de weg’ die vooraf gaat aan de liturgie van het Woord en het gebroken Brood en die ons zegt dat Jezus ons vergezelt bij elke stap. De twee leerlingen, getroffen door het schandaal van het kruis, keren naar huis terug lopend over de weg van de nederlaag. In hun harten dragen zij een hoop die vervlogen is, en een droom die niet verwerkelijkt is. De vreugde van het Evangelie heeft in hen plaats gemaakt voor droefheid. Wat doet Jezus? Hij oordeelt hen niet, maar wandelt mee met hen. In plaats van een muur op te trekken, opent hij een bres. Geleidelijk aan verandert Hij hun wanhoop, doet Hij hun harten branden en opent Hij hun ogen als Hij het Woord verkondigt en het Brood breekt. Op dezelfde manier heeft de christen niet alleen de taak van de missie, maar ervaart hij zelfs te midden van vermoeidheid en onbegrip dat ‘Jezus met hem mee gaat, met hem spreekt, met hem ademt, met hem werkt. De levende Jezus leeft met hem te midden van de missionaire inzet’ (Evangelii Gaudium, 266).
Jezus doet het zaad groeien. Tenslotte is het belangrijk dat we uit het Evangelie de stijl van de verkondiging leren. Niet zelden, ook met de beste bedoelingen, kan het gebeuren dat we ons laten verleiden door verlangen naar macht, proselitisme of intolerant fanatisme. Het Evangelie echter leert ons elke afgodendienst van macht en succes, elke buitensporige bezorgdheid voor structuren en een zekere angst die meer gesteld is op verovering dan op dienstbaarheid, af te wijzen. Het zaad van het Koninkrijk, hoewel heel klein en onzichtbaar en soms onbeduidend, groeit in stilte dankzij het onophoudelijke werk van God: “Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; hij slaapt en staat op, ‘s nachts en overdag, en onderwijl kiemt het zaad en schiet op, maar hij weet niet hoe” (Mc. 4, 26-27). Dit is ons primaire vertrouwen: God overtreft onze verwachtingen en verrast ons voortdurend
door zijn vrijgevigheid door de vruchten van onze arbeid te laten groeien op een wijze die de berekeningen van menselijk rendement overtreft.
Door dit evangelisch vertrouwen openen we ons voor de stille werking van de Geest die de basis is van de missie. Er is geen roepingenpastoraal of christelijke missie mogelijk zonder toegewijd en contemplatief gebed. In die zin moet men het christelijke leven voeden door het luisteren naar het Woord van God en vooral zorg dragen voor een persoonlijke relatie met de Heer in de eucharistische aanbidding, de bevoorrechte ‘plaats’ van de ontmoeting met God.
Deze intieme vriendschap met de Heer zou ik sterk willen aanmoedigen, vooral om van boven nieuwe roepingen tot het priesterschap en het religieuze leven af te smeken. Het volk van God moet geleid worden door herders die hun leven durven geven aan de dienst van het Evangelie. Ik vraag daarom aan parochiegemeenschappen, verenigingen en de vele gebedsgroepen die er in de Kerk zijn: in weerwil van de bekoring van de ontmoediging, blijf bidden dat de Heer arbeiders voor de oogst stuurt en ons priesters geeft die verliefd zijn op het Evangelie en in staat zijn hun broeders nabij te zijn en zo een levend teken van Gods barmhartige liefde zijn.
Beste broeders en zusters, ook vandaag kunnen wij het vuur van de verkondiging terugvinden en jongeren aanmoedigen in de voetstappen van Christus te treden. Tegenover het algemeen gevoel van een geloof dat vermoeid is of gereduceerd wordt tot een ‘to do-list’, verlangen onze jongeren de steeds actuele aantrekkingskracht van de figuur van Jezus te ontdekken, om zich te laten bevragen en uitdagen door zijn woorden en gebaren en, tenslotte, om te dromen, dankzij Hem, van een leven dat helemaal menselijk is en blij om het door te brengen in liefde.
De allerheiligste Maagd Maria, Moeder van onze Redder, had de durf om die droom die God met haar had, te omarmen en zij legde haar jeugd en haar enthousiasme in zijn handen. Mogen we op haar voorspraak dezelfde openheid van hart verkrijgen, de bereidheid om op de roep van de Heer ook zelf “Hier ben ik” te antwoorden en de vreugde om op weg gaan (cf. Lk 1, 39), zoals zij, om Hem aan de hele wereld te verkondigen.

Vanuit het Vaticaan, 27 november 2016
Eerste zondag in de Advent
Franciscus

Copyrights: © 2017, Libreria Editrice Vaticana / SRKK
Vertaald voor RKDocumenten.nl van Stichting Interkerk door: Roepingenpastoraal Vlaanderen Redactie voor het SRKK : drs. W.H. van den Dool