Zaterdag 30 juni en zondag 1 juli 2018

Eerste lezing; uit het boek der Wijsheid 1,13-15.2,23-24

De dood is niet door God gemaakt.

God vindt geen vreugde in de ondergang van enig levend wezen.

Hij heeft alles geschapen om het te laten bestaan.

Alles ter wereld dient om het leven in stand te houden.

In geen enkel schepsel ligt de kiem van de dood,

en het dodenrijk kan op aarde geen rechten doen gelden,

want rechtvaardigheid maakt onsterfelijk.

God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid,

als afspiegeling van zijn eigen wezen.

Maar de duivel heeft uit jaloezie de dood in de wereld gebracht;

Ieder die hem toebehoort roept de dood over zich af.

Zo spreekt de Heer.

 

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Marcus 5,21-43

Jezus en zijn leerlingen gingen weer met de boot naar de overkant van het meer.

Daar kwam een grote groep mensen naar Jezus toe.

Er kwam ook een man die Jaïrus heette.

Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus zag Jezus en knielde voor hem.

Hij zei tegen Jezus: ‘Luister alstublieft naar mij. Mijn dochter gaat dood!

Kom alstublieft mee en leg uw handen op haar hoofd.

Dan zal ze beter worden en blijven leven.’

Toen ging Jezus met Jaïrus mee.

Een grote groep mensen volgde Jezus, en iedereen duwde tegen hem aan.

Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was.

Ze verloor steeds bloed.

Allerlei dokters hadden haar behandeld, maar de pijn was alleen maar erger geworden.

Ze had al haar geld aan die dokters uitgegeven.

Maar het was niet beter geworden, alleen maar slechter.

Die vrouw had over Jezus gehoord.

Ze ging tussen de mensen door totdat ze vlak achter Jezus was, en ze raakte zijn jas aan.

Want ze dacht: Om beter te worden, hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken.

En inderdaad, het bloeden stopte meteen. De vrouw voelde dat ze helemaal beter was.

Op hetzelfde moment voelde Jezus dat er kracht uit hem wegging.

Hij draaide zich om naar de mensen en zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’

De leerlingen zeiden tegen hem:

‘Hoe kunt u dat nu vragen? Iedereen staat hier tegen u aan te duwen!’

Maar Jezus keek rond. Hij wilde weten wie hem aangeraakt had.

De vrouw begreep wat er gebeurd was.

Bevend van angst kwam ze naar voren en knielde voor Jezus.

En ze vertelde hem eerlijk wat er gebeurd was.

Jezus zei tegen haar: ‘Je bent beter geworden dankzij je geloof.

Je kunt gerust zijn, je ziekte is weg.’

Terwijl Jezus nog sprak tegen de vrouw, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus.

Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’

Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven.’

Jezus liet niemand meegaan, behalve Petrus, en de broers Jakobus en Johannes.

Ze kwamen bij het huis van Jaïrus. Daar hoorden ze veel lawaai.

Binnen stond een groep mensen te huilen en te schreeuwen.

Jezus zei: ‘Waarom staan jullie zo hard te huilen?

Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’

De mensen lachten hem uit. Maar Jezus stuurde iedereen naar buiten.

Hij nam alleen de ouders van het meisje mee, en de drie leerlingen.

Ze gingen naar de kamer waar het meisje lag.

Jezus pakte haar hand vast en zei: ‘Talita koem.’ Dat betekent: ‘Meisje, sta op!’

Meteen stond het meisje op en ze begon te lopen. Ze was twaalf jaar.

Iedereen die het gezien had, was stomverbaasd.

Jezus zei tegen hen: ‘Niemand mag dit te weten komen!’

En hij zei ook: ‘Geef haar wat te eten.’

Tot zover deze lezing uit het Heilig Evangelie

 

© 2013-2014 Nederlands Bijbelgenootschap