Bijbellezingen tot en met 31 januari 2021

Zaterdag 28 en Zondag 29 november B-jaar / Eerste advent

 

Eerste lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte. 1,3-9

Genade en vrede voor u vanwege God onze Vader en de Heer Jezus Christus!

Steeds weer zeg ik God dank voor zijn genade

die u in Christus Jezus is gegeven.

Want in Christus zijt gij,

naarmate zijn getuigenis bij u ingang vond,

in ieder opzicht rijk begiftigd

met alle gaven van woord en kennis.

Op dit punt komt gij niets te kort,

terwijl gij vol verwachting uitziet

naar de openbaring van onze Heer Jezus Christus.

Hij zal u ook doen standhouden tot het einde

zodat u geen blaam treft op de dag van onze Heer Jezus.

God is getrouw,

die u geroepen heeft tot gemeenschap met zijn Zoon

onze Heer Jezus Christus.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 13,33-37

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen:

“Weest op uw hoede, weest waakzaam;

want gij weet niet wanneer het ogenblik daar is.

Het is ermee als met een man die in het buitenland vertoeft.

Bij het verlaten van zijn huis

heeft hij aan zijn dienaars het beheer overgedragen,

aan ieder zijn taak aangewezen

en de deurwachter bevolen waakzaam te zijn.

Weest dus waakzaam,

want ge weet niet wanneer de heer des huizes komt,

“s avonds laat of midden in de nacht,

bij het hanengekraai of “s morgens vroeg.

Als hij onverwachts komt

laat hij u dan niet slapend vinden.

En wat Ik tot u zeg, zeg Ik tot allen:

weest waakzaam!”

Zo spreekt de heer.

 

Zaterdag 5 en Zondag 6 december B-jaar / Tweede advent

 

Eerste lezing uit de profeet Jesaja 40,1-5.9-11

Troost, troost toch mijn Stad,

– zegt uw God -,

spreek Jeruzalem moed in,

roep haar toe dat haar straftijd voorbij is,

dat haar ongerechtigheid vergeven is,

dat zij van Gods hand haar zonden dubbel betaald heeft gekregen.

Een stem roept:

“Baan de HEER een weg in de steppe,

effen voor onze God een heerbaan in de woestijn,

elk dal moet gevuld,

elke berg en heuvel geslecht worden,

alle oneffenheden moeten vlak,

de rotsmassa”s een vallei worden.

En verschijnen zal de glorie des HEREN

en alle vlees zal daarvan getuige zijn:

de mond des HEREN heeft het gezegd!”

Beklim de hoogste berg, gij Sion, vreugdebode,

verhef krachtig uw stem, Jeruzalem, vreugdegezant:

verkondig het luide, ken geen vrees,

roep tot de steden van Juda:

“Uw God is op komst!

Zie, God de HEER komt met kracht,

zijn arm voert de heerschappij;

zijn loon komt met Hem mee,

zijn beloning gaat voor Hem uit.

Als een herder zal Hij zijn schapen weiden,

in zijn armen ze samenbrengen,

de lammeren dragen tegen zijn boezem,

de schapen met zachte hand geleiden.”

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Begin van het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,1-8

Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus,

de Zoon van God.

Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja:

“Zie, Ik zend mijn bode voor u uit

die voor u de weg zal banen;

een stem van iemand die roept in de woestijn:

Bereidt de weg van de Heer,

maakt zijn paden recht.”

Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte;

hij preekte een doopsel van bekering

tot vergiffenis van de zonden.

Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem

trokken naar hem uit,

en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan,

terwijl zij hun zonden beleden.

Johannes ging gekleed in kameelhaar

met een leren gordel om zijn lendenen;

hij at sprinkhanen en wilde honing.

Hij predikte:

“Na mij komt die sterker is dan ik,

en ik ben niet waardig mij te bukken

en de riem van zijn sandalen los te maken.

Ik heb u gedoopt met water

maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.”

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 12 en Zondag 13 december B-Jaar / Derde Advent

 

Eerste lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Tessalonica 1 5,16-24

Broeders en zusters,

Weest altijd blij.

Bidt zonder ophouden.

Dankt God voor alles.

Dit is het wat God van u verlangt in Christus Jezus.

Blust de Geest niet uit:

kleineert de profetische gaven niet,

keurt alles, behoudt het goede.

Houdt u verre van alle soort van kwaad.

De God van de vrede,

Hij moge u heiligen, geheel en al.

Heel uw wezen: geest, ziel en lichaam

moge ongerept bewaard zijn

bij de komst van onze Heer Jezus Christus.

Die u roept is getrouw:

Hij zal zijn woord gestand doen.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 1,6-8.19-28

Er trad een mens op, een gezondene van God;

zijn naam was Johannes.

Deze kwam tot getuigenis,

om te getuigen van het Licht

opdat allen door hem tot geloof zouden komen.

Niet hij was het Licht,

maar hij moest getuigen van het Licht.

Dit dan is het getuigenis van Johannes,

toen de Joden uit Jeruzalem

priesters en levieten naar hem toezonden

om hem te vragen:

“Wie zijt gij?”

Daarop verklaarde hij

zonder enig voorbehoud en met grote stelligheid:

“Ik ben de Messias niet.”

Zij vroegen hem:

“Wat dan?

Zijt gij Elia?”

Hij zei:

“Dat ben ik niet.”

“Zijt gij de profeet?”

Hij antwoordde:

“Neen.”

Toen zeiden zij hem:

“Wie zijt gij dan?

Wij moeten toch een antwoord geven

aan degenen die ons gestuurd hebben.

Wat zegt gij over uzelf?”

Hij sprak:

“Ik ben, zoals de profeet Jesaja het uitdrukt,

de stem van iemand die roept in de woestijn:

Maakt de weg recht voor de Heer!”

De afgezanten waren uit de kring van de Farizeeën.

Zij vroegen hem:

“Wat doopt gij dan

als gij de Messias niet zijt,

noch Elia, noch de profeet?”

Johannes antwoordde hun:

“Ik doop met water

maar onder u staat Hij die gij niet kent,

Hij die na mij komt,

ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken.”

Dit gebeurde in Betanië,

aan de overkant van de Jordaan

waar Johannes aan het dopen was.

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 19 en Zondag 20 december B-jaar / Vierde Advent

 

Eerste lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome 16,25-27

Broeders en zusters,

aan Hem die bij machte is u te bevestigen

in het evangelie van Jezus Christus dat ik verkondig

– volgens de openbaring van het geheim

dat eeuwenlang verzwegen bleef

maar dat nu is onthuld,

en dat krachtens de opdracht van de eeuwige God

aan de hand van profetische geschriften

aan alle heidenvolken is bekend gemaakt,

om hen te brengen tot de gehoorzaamheid van het geloof –

aan Hem, de enige, alwijze God

zij de heerlijkheid

door Jezus Christus

in de eeuwen der eeuwen!

Amen.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 1,26-38

Toen Elisabet zes maanden zwanger was

werd de engel Gabriël van Godswege gezonden

naar een stad in Galilea, Nazaret,

tot een maagd die verloofd was met een man die Jozef heette,

uit het huis van David;

de naam van de maagd was Maria.

Hij trad bij haar binnen en sprak:

“Verheug u, de Heer is met u.”

Zij schrok van dat woord

en vroeg zich af wat die groet wel kon betekenen.

Maar de engel zei tot haar:

“Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God.

Zie, gij zult zwanger wordenen een zoon ter wereld brengen

en gij moet Hem de naam Jezus geven.

Hij zal groot zijn

en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden.

God de Heer zal Hem de troon van zijn vader David schenken

en Hij zal in eeuwigheid koning zijn over het huis van Jakob

en aan zijn koningschap zal nooit een einde komen.”

Maria echter sprak tot de engel:

“Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?”

Hierop gaf de engel haar ten antwoord:

“De heilige Geest zal over u komen

en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;

daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht

heilig genoemd worden, Zoon van God.

Weet dat zelfs Elisabet, uw bloedverwante,

in haar ouderdom een zoon heeft ontvangen

en, ofschoon zij onvruchtbaar heette,

is zij nu in haar zesde maand;

want voor God is niets onmogelijk.”

Nu zei Maria:

“Zie de dienstmaagd des Heren;

mij geschiede naar uw woord.”

En de engel ging van haar heen.

Zo spreekt de Heer.

 

24 december Nachtmis B-jaar

 

Eerste lezing Uit de profeet Jesaja 9,1-3.5-6

Het volk dat in het donker wandelt

ziet een groot licht;

een licht straalt over hen

die wonen in het land van doodse duisternis.

Gij hebt hun blijdschap vermeerderd,

hun vreugde vergroot.

Voor uw aanschijn zijn zij vol vreugde,

een vreugde als die om de oogst,

als die van mensen die jubelen

bij het verdelen van de buit.

Want het juk dat zwaar op het volk drukte,

de stang op hun schouders,

en de stok van hun drijvers,

Gij hebt ze stuk gebroken als op de dag van Midjan.

Want een Kind is ons geboren,

een Zoon werd ons geschonken;

Hem wordt de macht op de schouders gelegd

en men noemt Hem:

Wonderbare Raadsman,

Goddelijke held,

Eeuwige Vader,

Vredevorst.

Een grote macht en een onbeperkte welvaart

zullen toevallen aan Davids troon

en aan zijn koninkrijk,

zodat het gegrondvest zal zijn

en stevig gebouwd op recht en gerechtigheid,

van nu af tot in eeuwigheid.

De ijver van de HEER der hemelse machten brengt het tot stand.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 2,1-14

In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus,

dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk.

Deze volkstelling vond plaats

eer Quirinius landvoogd van Syrië was.

Allen gingen op reis,

ieder naar zijn eigen stad, om zich te laten inschrijven.

Ook Jozef trok op

en omdat hij behoorde tot het huis en geslacht van David,

ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret,

naar Judea: naar de stad van David, Betlehem geheten,

om zich te laten inschrijven,

samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was.

Terwijl zij daar verbleven

brak het uur aan waarop zij moeder zou worden;

zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.

Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe,

omdat er voor hen geen plaats was in de herberg.

In de omgeving bevonden zich herders

die in het open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten.

Plotseling stond een engel des Heren voor hen

en zij werden omstraald door de glorie des Heren

zodat zij door grote vrees werden bevangen.

Maar de engel sprak tot hen:

“Vreest niet, want zie,

ik verkondig u een vreugdevolle boodschap

die bestemd is voor heel het volk.

Heden is u een Redder geboren,

Christus de Heer,

in de stad van David.

En dit zal voor u een teken zijn:

gij zult het pasgeboren kind vinden

in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe.”

Opeens voegde zich bij de engel een hemelse heerschare;

zij verheerlijkten God met de woorden:

“Eer aan God in den hoge

en op aarde vrede onder de mensen

in wie Hij welbehagen heeft.”

Zo spreekt de Heer.

 

25 december Eerste Kerstdag

 

Eerste lezing uit de profeet Jesaja 52,7-10

Hoe liefelijk op de bergen de voeten van de vreugdebode,

die vrede meldt,

goed nieuws verkondigt,

die heil komt melden,

die zegt tot Sion: Uw God regeert!

Hoort!

Uw torenwachters verheffen hun stem,

zij jubelen tegelijk

want zij zien, oog in oog,

de terugkeer van de HEER naar Sion.

Barst los in jubel, allen samen,

puinen van Jeruzalem,

want de HEER heeft zijn volk getroost;

Hij heeft Jeruzalem verlost.

De HEER heeft zijn heilige arm ontbloot

voor de ogen van alle volkeren;

en alle grenzen der aarde

hebben het heil van onze God aanschouwd.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Begin van het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 1,1-18

In het begin was het Woord

en het Woord was bij God

en het Woord was God.

Dit was in het begin bij God.

Alles is door Hem geworden

en zonder Hem is niets geworden

van wat geworden is.

In Hem was leven

en dat leven was het licht der mensen.

En het licht schijnt in de duisternis

maar de duisternis nam het niet aan.

 

(Er trad een mens op, een gezondene van God;

zijn naam was Johannes.

Deze kwam tot getuigenis,

om te getuigen van het Licht

opdat allen door hem tot geloof zouden komen.

Niet hij was het licht

maar hij moest getuigen van het Licht.)

 

Het ware Licht

dat iedere mens verlicht

kwam in de wereld.

Hij was in de wereld;

de wereld was door Hem geworden,

en toch erkende de wereld Hem niet.

Hij kwam in het zijne,

maar de zijnen aanvaardden Hem niet.

Aan allen echter die Hem wél aanvaardden,

aan hen die in zijn Naam geloven,

gaf Hij het vermogen

kinderen van God te worden.

Zij zijn niet uit bloed

noch uit begeerte van het vlees

of de wil van een man,

maar uit God geboren.

Het Woord is vlees geworden

en heeft onder ons gewoond.

Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd,

zulk een heerlijkheid

als de Eniggeborene van de Vader ontvangt,

vol genade en waarheid.

 

(Wij hebben Johannes” getuigenis over Hem toen hij uitriep:

“Deze was het van wie ik zei:

Hij die achter mij komt is vóór mij,

want Hij was eerder dan ik.”

Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen;

genade op genade.

Werd de Wet door Mozes gegeven,

de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus.

Niemand heeft ooit God gezien;

de Eniggeboren God

die in de schoot van de Vader is,

Hij heeft Hem doen kennen.)

Zo spreekt de Heer.

 

26 december Tweede Kerstdag / H. Stefanus

 

Eerste lezing uit de Handelingen van de Apostelen 6,8-10; 7,54-60

In die dagen deed Stefanus, vol genade en kracht,

grote wondertekenen onder het volk.

Sommige leden echter

van de zogenaamde synagoge der Vrijgelatenen,

Cyreneeërs en Alexandrijnen

en sommige mensen uit Cilicië en Asia

begonnen met Stefanus te redetwisten,

maar zij konden niet op tegen de wijsheid

en tegen de geest waarmee hij sprak.

Ze werden woedend

en ze knarsetandden tegen hem.

Maar Stefanus, vervuld van de heilige Geest,

staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid

en Jezus, staande aan Gods rechterhand;

en hij riep uit:

“Ik zie de hemel open

en de Mensenzoon staande aan Gods rechterhand.”

Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen,

stopten hun oren toe

en stormden als één man op hem af.

Zij sleepten hem buiten de poort en stenigden hem.

De getuigen legden hun mantels neer

aan de voeten van een jongeman die Saulus heette.

Terwijl zij Stefanus stenigden,

bad hij:

“Heer Jezus, ontvang mijn geest.”

Toen viel hij op zijn knieën en riep met luide stem:

“Heer, reken hun deze zonde niet aan.”

Na deze woorden ontsliep hij.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 10,17-22

In die tijd zei Jezus tot de twaalf:

“Neemt u in acht voor de mensen.

Zij zullen u overleveren aan de rechtbanken

en u geselen in hun synagogen.

Gij zult voor stadhouders en koningen gebracht worden

omwille van Mij,

om zo ten overstaan van hen en de heidenen

getuigenis af te leggen.

Maakt u echter, wanneer men u overlevert,

niet bezorgd over het hoe of wat van uw spreken:

op dat ogenblik zal u worden ingegeven wat gij moet zeggen.

Want niet gij zijt het die spreekt,

maar door u spreekt dan de Geest van uw Vader.

De ene broer zal de andere overleveren om hem te laten doden;

de vader zijn kind;

de kinderen zullen opstaan tegen hun ouders

en hen ter dood doen brengen.

Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen,

omwille van mijn Naam.

Wie echter ten einde toe volhardt,

hij zal gered worden.”

Zo spreekt de Heer.

 

Zondag 27 december B-jaar / Heilige Familie

 

Eerste lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Kolosse 3,12-21

Broeders en zusters,

Bekleedt u,

als Gods heilige en geliefde uitverkorenen,

met tedere ontferming, goedheid, deemoed,

zachtheid en geduld.

Verdraagt elkander

en vergeeft elkander als de een tegen de ander een grief heeft.

Zoals de Heer u vergeven heeft

zo moet ook gij vergeven.

Voegt bij dit alles de liefde als de band der volmaaktheid.

En laat de vrede van Christus heersen in uw hart;

daartoe zijt gij immers geroepen, als leden van één lichaam,

en weest dankbaar.

Het woord van Christus moge in volle rijkdom onder u wonen.

Leert en vermaant elkander met alle wijsheid.

Zingt voor God met een dankbaar hart psalmen,

hymnen en liederen,

ingegeven door de Geest.

En al wat gij doet in woord of werk

doet alles in de naam van Jezus de Heer,

God de Vader dankend door Hem.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas Lucas 2,22-40

Toen de tijd aanbrak

waarop Maria en het kind volgens de Wet van Mozes gereinigd

moesten worden,

om Hem aan de Heer op te dragen,

volgens het voorschrift van de Wet des Heren:

elke eerstgborene van het mannelijk geslacht

moet aan de Heer worden toegeheiligd,

en om volgens de bepaling van de Wet des Heren

een offer te brengen,

namelijk een koppel tortels of twee jonge duiven.

Nu leefde er in Jeruzalem een zekere Simeon,

een wetgetrouw en vroom man

die Israëls vertroosting verwachtte,

en de heilige Geest rustte op hem.

Hij had een godsspraak ontvangen van de heilige Geest

dat de dood hem niet zou treffen

voordat hij de Gezalfde des Heren zou hebben aanschouwd.

Door de Geest gedreven was hij naar de tempel gekomen.

Toen de ouders het kind Jezus daar binnenbrachten

om aan Hem het voorschrift der Wet te vervullen,

nam ook hij het kind in zijn armen

en verkondigde Gods lof met de woorden:

“Uw dienaar laat gij, Heer, nu naar uw woord in vrede gaan:

mijn ogen hebben thans uw Heil aanschouwd

dat Gij voor alle volken hebt bereid;

een licht dat voor de heidenen straalt,

een glorie voor uw volk Israël.”

Zijn vader en moeder stonden verbaasd

over wat van Hem gezegd werd.

Daarop sprak Simeon over hen een zegen uit

en hij zei tot Maria, zijn moeder:

“Zie, dit kind is bestemd tot val opstanding van velen in Israël,

tot een teken dat weersproken wordt,

opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden;

en uw eigen ziel zal door een zwaard worden doorboord.”

Er was ook een profetes, Hanna,

een dochter van Fanuël, uit de stam van Aser.

Zij was hoogbejaard en na haar jeugd had zij zeven jaren met haar man geleefd.

Nu was zij een weduwe van vierentachtig jaar.

Ze verbleef voortdurend in de tempel

en diende God dag en nacht door vasten en gebed.

Op dit ogenblik kwam zij naderbij,

dankte God en sprak over het kind tot allen

die de bevrijding van Jeruzalem verwachtten.

Toen zij alle voorschriften van de Wet des Heren vervuld hadden

keerden zijn naar Galilea, naar hun stad Nazaret terug.

Het kind groeide op en nam toe in krachten;

het werd vervuld van wijsheid

en de genade Gods rustte op Hem.

Zo spreekt de Heer.

 

1 januari B-jaar / Heilige Maria Moeder van God

 

Eerste lezing uit het boek Numeri 6,22-27

De HEER sprak tot Mozes:

“Zeg aan Aäron en zijn zonen:

Als gij de Israëlieten zegent,

doe het dan met deze woorden:

Moge de HEER u zegenen en u behoeden!

Moge de HEER de glans van zijn gelaat over u spreiden en u genadig zijn!

Moge de HEER zijn gelaat naar u keren en u vrede schenken!

Als zij zo mijn naam over de Israëlieten uitspreken

zal Ik hen zegenen.”

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas 2,16-21

In die tijd haastten de herders zich naar Betlehem

en vonden Maria en Jozef

en het pasgeboren kind, dat in de kribbe lag.

Toen ze dit gezien hadden

maakten ze bekend wat hun over dit kind gezegd was.

Allen die het hoorden stonden verwonderd

over hetgeen de herders hun verhaalden.

Maria bewaarde al deze woorden in haar hart

en overwoog ze bij zichzelf.

De herders keerden terug,

terwijl zij God verheerlijkten en loofden

om alles wat zij gehoord en gezien hadden;

het was juist zoals hun gezegd was.

Toen de acht dagen voorbij waren en men het kind moest besnijden

ontving het de naam Jezus,

zoals het door de engel was genoemd

voordat het in de moederschoot werd ontvangen.

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 2 en Zondag 3 januari B-jaar / Openbaring des Heren

 

Eerste lezing uit de profeet Jesaja 60,1-6

Sta op, laat het licht u beschijnen, Jeruzalem,

want de Zon gaat over u op

en de glorie van de HEER begint over u te schijnen.

Want zie:

duisternis bedekt de aarde, het donker de volkeren

maar over u gaat de HEER op

en zijn glorie is boven u verschenen.

Volkeren komen af op uw licht,

koningen op de luister van uw dageraad.

Sla uw ogen op en zie om u heen:

van overal stromen ze naar u toe,

uw zonen komen van verre,

uw dochters draagt men op de arm.

Bij het zien hiervan zult gij met blijdschap worden vervuld

en uw hart zal bonzen en wijd worden van vreugde.

Want de schatten der zee gaan over in uw bezit,

de rijkdommen der volkeren worden aan u afgedragen.

Een zee van kamelen bedekt u,

jonge kamelen van Midjan en Efa.

Alle bewoners van Sjeba trekken naar u toe;

ze voeren goud en wierook aan

en verkondigen luid de roem van de HEER.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Matteüs 2,1-12

Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was,

ten tijde van koning Herodes,

kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten en vroegen:

“Waar is de pasgeboren koning der Joden?

Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien

en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.”

Toen koning Herodes dit hoorde werd hij verontrust

en heel Jeruzalem met hem.

Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen

en legde hun de vraag voor

waar de Christus moest geboren worden.

Zij antwoordden hem:

“Te Betlehem in Juda.

Zo immers staat er geschreven bij de profeet:

En gij Betlehem, landstreek van Juda,

gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda,

want uit u zal een leidsman te voorschijn treden,

die herder zal zijn over mijn volk Israël.”

Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen

en hij vroeg hun nauwkeurig naar de tijd

waarop de ster verschenen was.

Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht:

“Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar het Kind,

en wanneer gij het gevonden hebt, bericht mij het dan

opdat ook ik het hulde kan gaan brengen.”

Na de koning aanhoord te hebben vertrokken zij.

En zie,

de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit

totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond

stil bleef staan.

Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde.

Zij gingen het huis binnen,

zagen er het Kind met zijn moeder Maria

en op hun knieën neervallend betuigden zij het hun hulde.

Zij haalden hun schatten te voorschijn

en boden het geschenken aan:

goud, wierook en mirre.

En in een droom van Godswege gewaarschuwd

niet meer naar Herodes terug te keren,

vertrokken zij langs een andere weg naar hun land.

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 9 en Zondag 10 januari B-jaar / Doop van de Heer.

 

Eerste lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Johannes 1 5,1-9

Vrienden,

Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is

is een kind van God.

Welnu, wie de vader liefheeft

bemint ook het kind.

Willen wij God liefhebben en zijn geboden onderhouden

dan moeten wij ook Gods kinderen liefhebben.

Dat is onze maatstaf.

God beminnen wil zeggen

zijn geboden onderhouden

en zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden

want ieder die uit God geboren is

overwint de wereld.

En het wapen waarmee wij de wereld overwinnen

is geen ander dan ons geloof.

Niemand kan de wereld overwinnen dan hij die gelooft

dat Jezus de Zoon van God is.

Hij is het die gekomen is met water en bloed,

Jezus Christus.

Hij is gekomen

niet door water alleen maar door water en door bloed.

De Geest betuigt het

omdat de Geest de waarheid is.

Want er zijn drie getuigen,

de Geest,

het water

en het bloed

en deze drie stemmen overeen.

Als wij het getuigenis van mensen aannemen

dan zeker dat van God,

dat zoveel groter gezag heeft;

God zelf waarborgt dit getuigenis

dat Hij heeft afgelegd aangaande zijn Zoon.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,7-11

In die tijd predikte Johannes:

Na mij komt die sterker is dan ik,

en ik ben niet waardig mij te bukken

en de riem van zijn sandalen los te maken.

Ik heb u gedoopt met water

maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.”

In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in Galilea

en liet zich in de Jordaan door Johannes dopen.

En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg,

zag Hij de hemel openscheuren

en de Geest als een duif op zich neerdalen.

En er kwam een stem uit de hemel:

“Gij zijt mijn Zoon,

mijn veelgeliefde;

in U heb Ik welbehagen.”

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 16 en Zondag 17 januari B-jaar / 2e zondag door het jaar

 

Eerste lezing uit het eerste boek Samuël 1 3,3b-10.19

De lamp van God was nog niet gedoofd

en Samuël lag te slapen in het heiligdom van de HEER

waar de ark van God stond.

Toen riep de HEER: “Samuël!”

Samuël antwoordde:

“Hier ben ik. “Hij liep haastig naar Eli en zei:

“Hier ben ik u hebt mij toch geroepen?”

Maar Eli antwoordde: “Ik heb niet geroepen;

ga maar weer slapen.”

Toen riep de HEER opnieuw: “Samuël!”

Samuël stond op, ging naar Eli en zei:

“Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?”

Eli antwoordde:

“Ik heb niet geroepen, mijn jongen; ga maar weer slapen.”

Samuël kende de HEER nog niet:

een woord van de HEER was hem nog nooit geopenbaard.

En weer riep de HEER Samuël; nu voor de derde maal.

Samuël stond op, ging naar Eli en zei:

“Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?”

Toen begreep Eli dat het de HEER was die de jongen riep.

En hij zei tot Samuël:

“Ga slapen en mocht Hij je roepen dan moet je zeggen:

Spreek, HEER, uw dienaar luistert.”

Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen.

Toen kwam de HEER bij hem staan en riep

evenals de vorige malen:

“Samuël, Samuël! “En Samuël antwoordde:

“Spreek, uw dienaar luistert!”

Samuël groeide op; de HEER was met hem en liet niet een van zijn woorden onvervuld.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 1,35-42

In die tijd stond Johannes daar,

met twee van zijn leerlingen.

Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging en sprak:

“Zie het Lam Gods.”

De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen

en gingen Jezus achterna.

Jezus keerde zich om

en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij hun:

“Wat verlangt gij?”

Ze zeiden tot Hem:

“Rabbi

– vertaald betekent dit: Meester –

waar houdt Gij U op?”

Hij zei hun:

“Gaat mee om het te zien.”

Daarop gingen zij mee

en zagen waar Hij zich ophield.

Die dag bleven zij bij Hem.

Het was ongeveer het tiende uur.

Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee

die het gezegde van Johannes hadden gehoord

en Jezus achterna waren gegaan.

De eerste die hij ontmoette was zijn broer Simon

tot wie hij zei:

“Wij hebben de Messias

– dat vertaald betekent: de Gezalfde –

gevonden,”

en hij bracht hem bij Jezus.

Jezus zag hem aan en zeide:

“Gij zijt Simon, de zoon van Johannes;

gij zult Kefas genoemd worden,

dat betekent: Rots.”

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 23 en Zondag 24 januari / 3de zondag door het jaar.

 

Eerste lezing uit de profeet Jona 3,1-5.10

Het woord des HEREN werd gericht tot Jona:

“Begeef u op weg naar Nineve, de grote stad,

en verkondig haar de boodschap die Ik u zal ingeven.”

En Jona begaf zich op weg naar Nineve

zoals de HEER hem bevolen had.

Nineve nu was een geweldig grote stad,

wel drie dagreizen groot.

En Jona begon de stad binnen te trekken, een dagreis ver

en hij preekte als volgt:

“Nog veertig dagen en Nineve zal vergaan!”

De mensen van Nineve geloofden het woord van God;

ze riepen een vasten af

en van groot tot klein deden allen het boetekleed aan.

En God zag wat ze deden

en hoe ze zich van hun slecht gedrag bekeerden.

En Hij kreeg spijt dat Hij hun met de ondergang gedreigd had

en Hij voerde zijn dreiging niet uit.

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,14-20

Nadat Johannes was gevangen genomen

ging Jezus naar Galilea

en verkondigde er Gods Blijde Boodschap.

Hij zei:

“De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij;

bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap.”

Toen Jezus eens langs het meer van Galilea liep

zag Hij Simon en de broer van Simon, Andreas,

terwijl zij bezig waren het net uit te werpen in het meer;

zij waren namelijk vissers.

Jezus sprak tot hen:

“Komt, volgt Mij;

Ik zal maken dat gij vissers van mensen wordt.”

Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden Hem.

Iets verder gaande zag Hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs,

en diens broer Johannes;

ook zij waren in de boot bezig met hun netten klaar te maken.

Onmiddellijk riep Hij hen.

Zij lieten hun vader Zebedeüs

met de dagloners in de boot achter en volgden Hem.

Zo spreekt de Heer.

 

Zaterdag 30 en Zondag 31 januari / 4e zondag door het jaar

 

Eerste lezing uit het boek Deuteronomium 18,15-20

Mozes sprak tot het volk en zei:

“Uit uw eigen broeders zal de HEER uw God

een profeet doen opstaan zoals ik dat ben,

naar wie gij moet luisteren.

Gij hebt dat immers bij de Horeb

op de dag van de samenkomst aan de HEER uw God gevraagd.

Toen hebt gij gezegd:

Laat mij de stem van de HEER mijn God niet meer horen

en dat grote vuur niet meer zien,

anders sterf ik.

De HEER heeft mij toen gezegd:

Zij hebben gelijk.

Ik zal uit hun broeders een profeet doen opstaan

zoals gij dat zijt.

Ik zal hem mijn woorden in de mond leggen

en hij zal hun alles zeggen wat Ik hem opdraag.

En van hem die geen gehoor geeft

aan de woorden die hij in mijn naam spreekt,

zal Ik zelf rekenschap vragen.

Is er een profeet die zich vermeet

in mijn naam te spreken zonder dat Ik hem opdracht heb gegeven,

of die spreekt in de naam van andere goden,

dan moet hij sterven, die profeet.”

Tot zover deze lezing.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 1,21-28

In die tijd kwamen Jezus en zijn leerlingen in Kafarnaüm,

en op de eerstvolgende sabbat ging Hij naar de synagoge

waar Hij als leraar optrad.

De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer,

want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden

maar als iemand die gezag bezit.

Er bevond zich in hun synagoge juist een man

die in de macht was van een onreine geest

en luid begon te schreeuwen:

“Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken?

Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten.

Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods.”

Jezus voegde hem toe:

“Zwijg stil en ga uit hem weg.”

De onreine geest schudde hem heen en weer,

gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg.

Allen stonden zó verbaasd dat ze onder elkaar vroegen:

“Wat betekent dat toch?

Een nieuwe leer met gezag!

Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem.”

Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten

over heel de streek van Galilea.

Zo spreekt de Heer.

 

Bron: © Katholieke Bijbelstichting