Bijbellezingen tot en met 31 maart 2021

Zaterdag 6 en Zondag 7 maart 2021 B-jaar 3e zondag van de veertigdagentijd

Eerste lezing uit de eerste brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte  1 Kor. 1,22-25

Broeders en zusters,
Joden eisen wonderen, Grieken wijsheid.
Maar wij verkondigen een gekruisigde Christus,
voor Joden een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid;
maar voor hen die geroepen zijn, Joden zowel als Grieken,
is die Christus Gods kracht en Gods wijsheid.
Want de dwaasheid van God is wijzer dan de mensen
en de zwakheid van God is sterker dan de mensen.

Zo spreekt de Heer.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 2,13-25

Toen het paasfeest der Joden nabij was

ging Jezus op naar Jeruzalem.

In de tempel trof Hij de verkopers aan

van runderen, schapen en duiven

en ook de geldwisselaars die daar zaten.

Hij maakte van touwen een gesel,

dreef ze allemaal uit de tempel,

ook de schapen en de runderen;

het kleingeld van de wisselaars veegde Hij van de tafels

en Hij wierp die omver.

En tot de duivenhandelaars zei Hij:

“Weg met dit alles!

Maakt van het huis van mijn Vader geen markthal!”

Zijn leerlingen herinnerden zich dat er geschreven staat:

De ijver voor uw huis zal mij verteren.

De Joden richtten zich tot Hem met de woorden:

“Wat voor teken kunt Gij ons laten zien

dat Gij dit doen moogt?”

Waarop Jezus hun antwoordde:

“Breekt deze tempel af

en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.”

Maar de Joden merkten op:

“Zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd;

zult Gij hem dan in drie dagen doen herrijzen?”

Jezus sprak echter over de tempel van zijn lichaam.

Toen Hij dan ook verrezen was uit de doden

herinnerden zijn leerlingen zich dat Hij dit gezegd had,

en zij geloofden in de Schrift

en in het woord dat Jezus gesproken had.

Terwijl Hij bij gelegenheid van het paasfeest in Jeruzalem was,

begonnen er velen in zijn Naam te geloven

bij het zien van de tekenen die Hij deed.

Maar Jezus van zijn kant had geen vertrouwen in hen

omdat Hij allen kende.

Hij wist wat er in de mens stak

en daarom was het niet nodig

dat iemand Hem over de mens inlichtte.

 

 

Zaterdag 13 en Zondag 14 maart 2021 B-jaar 4e zondag van de veertigdagentijd

Eerste lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Efeze Efeziërs 2,4-10

Broeders en zusters,
God, die rijk is aan erbarming,
heeft wegens de grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad
ons met Christus ten leven gewekt,
hoewel wij dood waren door onze zonden;
aan zijn genade dankt gij uw redding.
En Hij heeft ons samen met Hem doen opstaan
en zetelen in de hemelen, in Christus Jezus,
om de naderbij komende Eeuwen
de overgrote rijkdom van zijn genade te tonen
door zijn goedheid jegens ons in Christus Jezus.
Ja, aan die genade dankt gij uw heil, door het geloof;
niet aan uzelf: Gods gave is het;
niet aan uw prestaties, niemand mag zich verhovaardigen.
Gods werk zijn wij,
geschapen in Christus Jezus
om in ons leven de goede daden te realiseren
die God voor ons al bereid heeft.

Zo spreekt de heer.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 3,14-21

In die tijd sprak Jezus tot Nikodemus:

“De Mensenzoon moet omhoog worden geheven

zoals Mozes eens de slang omhoog hief in de woestijn,

opdat eenieder die gelooft

in Hem eeuwig leven zal hebben.

Zozeer immers heeft God de wereld lief gehad

dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven,

opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan

maar eeuwig leven zal hebben.

God heeft zijn Zoon

niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen,

maar opdat de wereld door Hem zou worden gered.

Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld,

maar wie niet gelooft is al veroordeeld,

omdat hij niet

heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon Gods.

Hierin bestaat het oordeel:

het licht is in de wereld gekomen,

maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht,

omdat hun daden slecht waren.

Ieder die slecht handelt heeft afschuw van het licht

en gaat niet naar het licht toe

uit vrees dat zijn werken openbaar gemaakt worden.

Maar wie de waarheid doet gaat naar het licht,

opdat van zijn daden moge blijken dat zij in God zijn gedaan.”

 

 

Zaterdag 20 en Zondag 21 maart 2021 B-jaar 5e zondag van de veertigdagentijd

Eerste lezing uit de brief aan de Hebreeën. Hebr.5,7-9

Broeders en zusters,
In de dagen van zijn sterfelijk leven
heeft Christus onder luid geroep en geween
gebeden en smekingen opgedragen aan God
die Hem uit de dood kon redden.
Om zijn vroomheid is Hij verhoord:
hoewel Hij Gods Zoon was
heeft Hij in de school van het lijden gehoorzaamheid geleerd;
en toen Hij het einde had bereikt
is Hij voor allen die Hem gehoorzamen
oorzaak geworden van eeuwig heil.

Zo spreekt de Heer.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes 12,20-33

Onder degenen

die bij gelegenheid van het feest optrokken ter aanbidding

waren ook enige Grieken.

Dezen nu klampten Filippus van Betsaïda in Galilea aan

en vroegen hem:

“Heer, wij zouden Jezus graag spreken.”

Filippus ging het aan Andreas vertellen

en tenslotte brachten Andreas en Filippus

de boodschap aan Jezus over.

Jezus echter antwoordde hun:

“Het uur is gekomen,

dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u:

als de graankorrel niet in de aarde valt

blijft hij alleen;

maar als hij sterft

brengt hij veel vrucht voort.

Wie zijn leven bemint verliest het;

maar wie zijn leven in deze wereld haat

zal het ten eeuwigen leven bewaren.

Wil iemand Mij dienen dan moet hij Mij volgen;

waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn.

Als iemand Mij dient zal de Vader hem eren.

Nu is mijn ziel ontroerd.

Wat moet Ik zeggen?

Vader, red Mij uit dit uur?

Maar daarom juist ben Ik tot dit uur gekomen.

Vader, verheerlijk uw Naam.”

Toen kwam er een stem vanuit de hemel:

“Ik heb Hem verheerlijkt

en zal Hem wederom verheerlijken.”

Het volk dat er bij stond te luisteren

zei dat het gedonderd had.

Anderen zeiden:

“Een engel heeft tot Hem gesproken.”

Maar Jezus sprak:

“Niet om Mij was die stem

maar om u.

Nu heeft er een oordeel over de wereld plaats,

nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen;

en wanneer Ik van de aarde zal zijn omhooggeheven

zal Ik allen tot Mij trekken.”

Hiermee duidde Hij aan

welke dood Hij zou sterven.

 

 

Zaterdag 27 en Zondag 28 maart 2021 B-jaar Palmzondag

Eerste lezing uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi Filip. 2,6-11

Broeders en zusters,

Hij, die bestond in goddelijke majesteit
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
en het bestaan van een slaaf op zich genomen.
Hij is aan de mensen gelijk geworden.
En als mens verschenen
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood aan het kruis.
Daarom heeft God Hem hoog verheven
en Hem de naam verleend
die boven alle namen is.
Opdat bij het noemen van zijn Naam
zich iedere knie zou buigen
in de hemel, op aarde en onder de aarde,
en iedere tong zou belijden,
tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer.

Zo spreekt de Heer.

 

Evangelie

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus 14,1-15,47 of 15,1-39

(14,1

Over twee dagen was het feest van Pasen

en van het ongedesemde brood.

De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten

op welke manier zij Jezus door list zouden kunnen grijpen

en Hem ter dood zouden kunnen brengen.

Want ze dachten:

“Niet op het feest;

er mochten anders eens onlusten ontstaan onder het volk.”

Terwijl Jezus zich te Betanië bevond

in het huis van Simon de Melaatse

en daar aan tafel aanlag,

kwam er een vrouw met een albasten vaasje echte,

zeer dure nardusbalsem.

Zij brak het vaasje stuk en goot de inhoud uit over zijn hoofd.

Sommigen waren er verontwaardigd over en zeiden onder elkaar:

“Waar is die verkwisting van de balsem nu voor nodig geweest?

De balsem had voor meer dan driehonderd denaries

verkocht kunnen worden ten bate van de armen.”

Toen zij tegen haar uitvoeren sprak Jezus:

“Laat haar met rust.

Waarom valt ge haar lastig?

Het is toch goed werk dat zij aan Mij heeft gedaan.

Armen hebt gij altijd in uw midden

en gij kunt hun weldoen wanneer ge maar wilt;

maar Mij hebt gij niet altijd.

Zij heeft gedaan wat in haar macht was;

zij heeft mijn lichaam op voorhand gezalfd

met het oog op mijn begrafenis.

Voorwaar, Ik zeg u:

waar ook ter wereld

de Blijde Boodschap verkondigd zal worden,

zal tevens ter herinnering aan haar

verhaald worden wat zij gedaan heeft.”

Hierop ging Judas Iskariot, een van de twaalf,

naar de hogepriesters om Hem aan hen uit te leveren.

Dezen waren blij toen ze dat hoorden en beloofden hem geld.

Hij zocht naar een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.

 

Op de eerste dag van het ongedesemde brood,

de dag waarop men het paaslam slacht,

zeiden zijn leerlingen tot Hem:

“Waar wilt Gij dat wij voorbereidselen gaan treffen

zodat Gij het paasmaal kunt houden?”

Hij zond daarop twee van zijn leerlingen uit met de opdracht:

“Gaat naar de stad

en daar zult ge een man tegenkomen

die een kruik water draagt;

volgt hem

en zegt aan de eigenaar van het huis waar hij binnengaat:

De Meester laat vragen:

Waar is de zaal voor Mij

waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?

Hij zal u dan een grote bovenzaal laten zien

met rustbedden en van al het nodige voorzien;

maakt daar alles voor ons klaar.”

De leerlingen vertrokken,

gingen de stad binnen,

en vonden alles zoals Hij het hun gezegd had

en maakten het paasmaal gereed.

Toen de avond gevallen was kwam Hij met de twaalf.

Terwijl zij aan tafel aanlagen

en de maaltijd aan de gang was zei Jezus:

“Voorwaar, Ik zeg u:

een van u zal Mij overleveren,

een die met Mij eet.”

Droefheid maakte zich van hen meester

en zij begonnen, de een na de ander Hem te vragen:

“”Ik ben het toch niet?”

Hij antwoordde hun:

“Een van de twaalf, die met Mij in de schotel doopt.

Wel gaat de Mensenzoon heen zoals van Hem geschreven staat,

maar wee de mens

door wie de Mensenzoon wordt overgeleverd!

Het zou beter voor hem zijn als hij niet geboren was,

die mens!”

Onder de maaltijd nam Jezus brood,

sprak de zegen uit,

brak het en gaf het hun, met de woorden:

“Neemt,

dit is mijn lichaam.”

Daarna nam Hij de beker

en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe

en zij dronken allen daaruit.

En Hij sprak tot hen:

“Dit is mijn bloed van het Verbond,

dat vergoten wordt voor velen.

Voorwaar, Ik zeg u:

Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt

tot op de dag waarop Ik het, nieuw

zal drinken in het Koninkrijk van God.”

Nadat zij de lofzang gezongen hadden

gingen zij naar de Olijfberg.

 

Toen sprak Jezus tot hen:

“Allen zult gij ten val komen,

want er staat geschreven:

Ik zal de herder slaanen de schapen zullen verstrooid worden.

Maar na mijn verrijzenis zal Ik u voorgaan naar Galilea.”

Toen zei Petrus:

“Al komen allen ten val, ik zeker niet.”

Jezus antwoordde hem:

“Voorwaar, Ik zeg u:

nog heden,

nog deze nacht

voordat de haan tweemaal kraait

zult juist gij Mij driemaal verloochenen.”

Maar met nog meer nadruk verzekerde Petrus:

“Al moest ik met U sterven,

in geen geval zal ik U verloochenen.”

In diezelfde geest spraken allen.

 

Zij kwamen nu aan een landgoed dat Getsemane heette.

Daar zei Hij tot zijn leerlingen:

“Blijft hier zitten terwijl Ik bid.”

Hij nam Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee

en begon zich ontsteld en beangst te gevoelen.

Hij sprak tot hen:

“Ik ben bedroefd tot stervens toe.

Blijft hier en waakt.”

Nadat Hij een weinig verder was gegaan

wierp Hij zich ter aarde

en bad dat dit uur, als het mogelijk was,

aan Hem mocht voorbijgaan.

“Abba, Vader,

– zo bad Hij –

voor U is alles mogelijk;

laat deze beker Mij voorbijgaan.

Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt.”

Toen ging Hij terug en vond hen in slaap;

en Hij sprak tot Petrus:

“Simon, slaapt ge?

Ging het dan uw krachten te boven één uur te waken?

Waakt en bidt

dat gij niet op de bekoring ingaat.

De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak.”

Opnieuw verwijderde Hij zich en bad met dezelfde woorden.

En teruggekomen vond Hij hen weer in slaap

want hun oogleden waren zwaar;

ze wisten niet wat ze Hem moesten antwoorden.

Toen Hij voor de derde maal terugkwam sprak Hij tot hen:

“Slaapt dan maar door en rust uit.

Het is zover,

het uur is gekomen;

zie, de Mensenzoon

wordt overgeleverd in de handen van de zondaars.

Staat op,

laten we gaan:

mijn verrader is nabij.”

Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam Judas,

een van de twaalf,

vergezeld van een bende met zwaarden en knuppels,

gestuurd door de hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten.

Zijn verrader had een teken met hen afgesproken door te zeggen:

“Die ik zal kussen Hij is het;

grijpt Hem vast en voert Hem onder strenge bewaking weg.”

Hij ging recht op Jezus af en zei:

“Rabbi!”

En hij kuste Hem.

Zij grepen Hem en maakten zich van Hem meester.

Maar een van die er bij stonden trok zijn zwaard

en sloeg met één houw de knecht van de hogepriester het oor af.

Daarna richtte Jezus zich tot hen met de woorden:

“Als tegen een rover

zijt ge uitgetrokken met zwaarden en knuppels

om Mij gevangen te nemen.

Dagelijks gaf Ik onderricht bij u in de tempel

en toch hebt ge Mij niet gegrepen.

Maar zo moesten de Schriften in vervulling gaan.”

Toen lieten allen Hem in de steek en namen de vlucht.

Toch ging een jongeman

die een linnen doek om het blote lichaam had geslagen

Hem achterna.

Ze grepen hem,

maar hij liet zijn kleed in de steek en vluchtte naakt weg.

Men bracht Jezus naar de hogepriester,

waar alle hogepriesters,

oudsten en schriftgeleerden bijeenkwamen.

Petrus volgde Hem op een afstand

tot op de binnenplaats van het paleis van de hogepriester

en nam plaats onder het dienstvolk

om zich bij het vuur te warmen.

De hogepriesters en het hele Sanhedrin

zochten naar een getuigenis tegen Jezus

om Hem ter dood te kunnen brengen,

maar zij vonden er geen.

Wel brachten velen valse getuigenissen tegen Hem in

maar hun getuigenissen stemden niet overeen.

Toen traden enige valse getuigen tegen Hem op die verklaarden:

“Wij hebben Hem horen zeggen:

Ik zal deze door mensenhanden gemaakte tempel afbreken

en in drie dagen een andere opbouwen

die niet door mensenhanden is gemaakt.”

Maar ook daaromtrent was hun getuigenis niet eensluidend.

Toen stond de hogepriester in hun midden op

en hij vroeg aan Jezus:

“Geeft Gij in het geheel geen antwoord?

Wat getuigen deze mensen tegen U?”

Maar Jezus bleef zwijgen en gaf volstrekt geen antwoord.

Daarop stelde de hogepriester Hem nog een vraag:

“Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?”

Jezus antwoordde:

“Ja, dat ben Ik:

en gij zult de Mensenzoon zien zitten

aan de rechterhand van de Macht

en komen met de wolken des hemels.”

Toen scheurde de hogepriester zijn gewaad en riep uit:

“Waartoe hebben wij nog getuigen nodig?

Ge hebt de godslastering gehoord.

Wat dunkt U?”

Allen spraken het vonnis uit

dat Hij de dood verdiende.

Daarop begonnen sommigen Hem te bespuwen en,

na zijn gelaat bedekt te hebben,

Hem met de vuist te slaan terwijl ze zeiden:

“Wees nu eens profeet!”

Ook de knechten dienden Hem slagen toe.

Terwijl Petrus zich beneden op de binnenplaats bevond

kwam daar één van de dienstmeisjes van de hogepriester.

Toen zij Petrus zag die zich zat te warmen,

keek ze hem eens aan en zei:

“Jij was ook bij Jezus de Nazarener.”

Maar hij ontkende het:

“Ik weet niet, ik begrijp niet wat je bedoelt.”

En terwijl hij wegging naar het poortgebouw kraaide een haan.

Maar toen het meisje hem daar opmerkte,

verzekerde ze nog eens aan de omstanders:

“Die is er ook een van.”

Hij ontkende het opnieuw.

Even daarna zeiden de omstanders op hun beurt tot Petrus:

“Waarachtig, jij bent er ook een van;

je bent toch ook een Galileeër.”

Toen begon hij te vloeken en te zweren:

“Ik ken die man niet waarover jullie het hebben.”

Onmiddellijk daarop kraaide een haan voor de tweede keer.

Nu herinnerde Petrus zich hoe Jezus tot hem gezegd had:

Voordat een haan tweemaal kraait,

zult ge Mij driemaal verloochenen.

En hij barstte in tranen uit.)

 

15,1

In de vroege morgen kwamen zij tot een besluit:

de hogepriesters met de oudsten en schriftgeleerden,

heel het Sanhedrin.

Zij boeiden Jezus,

voerden Hem weg

en leverden Hem uit aan Pilatus.

Pilatus stelde Hem de vraag:

“Zijt Gij de koning der Joden?”

Hij antwoordde hem:

“Gij zegt het.”

Toen de hogepriesters vele beschuldigingen tegen Hem inbrachten

ondervroeg Pilatus Hem weer en zei:

“Geeft Gij in het geheel geen antwoord?

Zie eens wat voor beschuldigingen ze tegen U inbrengen.”

Maar Jezus gaf volstrekt geen antwoord meer,

zodat Pilatus verbaasd was.

 

Nu was hij gewoon bij elk feest één gevangene vrij te laten,

degene om wie zij vroegen.

Er zat juist een zekere Barabbas gevangen onder de oproermakers;

zij hadden bij het oproer een moord begaan.

Het volk kwam opzetten en begon te vragen

dat hij voor hen zou doen zoals altijd.

Pilatus antwoordde daarop met de vraag:

“Wilt ge dat ik de koning der Joden zal vrijlaten?”

Hij zag wel in dat de hogepriesters Hem uit nijd overgeleverd hadden.

Maar de hogepriesters hitsten het volk op

te vragen dat hij toch liever Barabbas moest vrijlaten.

Nu nam Pilatus weer het woord en vroeg hun:

“Wat moet ik dan doen met Hem

die gij de koning der Joden noemt?”

Nu schreeuwden ze opnieuw:

“Kruisig Hem!”

Daarop vroeg Pilatus hun:

“Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”

Maar zij schreeuwden nog harder:

“Kruisig Hem!”

Omdat Pilatus het volk zijn zin wilde geven

liet hij Barabbas vrij,

maar Jezus liet hij geselen

en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

 

Nu brachten de soldaten Hem het paleis binnen,

dat wil zeggen het pretorium,

en riepen de hele afdeling bij elkaar.

Ze hingen Hem een purperen kleed om,

vlochten een doornenkroon en zetten Hem die op.

Vervolgens gingen zij Hem het saluut brengen:

“Gegroet, koning der Joden.”

Zij sloegen Hem met een rietstok op het hoofd,

bespuwden Hem

en brachten Hem hulde door op de knieën te vallen.

Nadat zij hun spel met Hem gedreven hadden

ontdeden zij Hem van het purperen kleed,

trokken Hem zijn eigen kleren aan

en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.

Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam,

Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus,

tot het dragen van zijn kruis.

Zo brachten ze Hem naar de plaats Golgota,

wat vertaald wordt met schedelplaats.

Daar boden ze Hem met mirre gekruide wijn aan,

maar Hij weigerde.

Nadat ze Hem gekruisigd hadden verdeelden ze zijn kleren

en dobbelden om wat ieder krijgen zou.

Het was het derde uur toen ze Hem kruisigden.

Het opschrift met de reden van zijn veroordeling luidde:

De koning der Joden.

Samen met Hem kruisigden ze ook twee rovers,

de een rechts de ander links van Hem.

Zo ging in vervulling dit Schriftwoord:

Hij is onder de booswichten gerekend.

Voorbijgangers hoonden Hem

terwijl ze het hoofd schudden en zeiden:

“Ha, Gij daar

die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,

kom van het kruis af en red U zelf.”

In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden

spottend onder elkaar:

“Anderen heeft Hij gered

maar zichzelf kan Hij niet redden.

Die Messias, die koning van Israël,

laat Hem nu van het kruis afkomen;

dan zullen we zien en geloven!”

Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren

voegden Hem beschimpingen toe.

 

Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land,

tot aan het negende uur toe.

En op het negende uur riep Jezus met luider stem:

“Eloï, Eloï, lama sabaktani!”

V.

Dit is vertaald:

Mijn God, mijn God,

waarom hebt Gij Mij verlaten?

Enkele omstanders die het hoorden zeiden:

“Hoor, Hij roept Elia.”

Een van hen ging een spons halen,

drenkte die in zure wijn,

stak hem op een rietstok

en bood Hem te drinken terwijl hij zei:

“Laat me begaan!

We willen eens zien of Elia Hem eraf komt halen.”

Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.

 

Toen scheurde het voorhangsel van de tempel

van boven tot onder in tweeën.

De honderdman die tegenover Hem post had gevat en zag

dat Hij onder zulke omstandigheden de geest had gegeven

riep uit:

“Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

 

(40

Er stonden ook vrouwen op een afstand toe te kijken;

onder hen bevonden zich Maria Magdaléna,

Maria, de moeder van Jakobus de jongere en van Joses,

en Salóme.

Zij waren Hem in de tijd dat Hij in Galilea verbleef

gevolgd om voor Hem te zorgen;

verder nog vele andere vrouwen

die met Hem naar Jeruzalem gekomen waren.

Het was al avond geworden

en het was Voorbereiding,

dat wil zeggen de dag voor de sabbat.

Jozef van Arimatéa,

een vooraanstaand lid van de Hoge Raad,

die zelf ook in de verwachting van het Rijk Gods leefde,

waagde het daarom naar Pilatus te gaan

en te vragen om het lichaam van Jezus.

 

Pilatus stond er verwonderd over dat Hij reeds dood zou zijn;

hij liet dan ook de honderdman roepen

en vroeg hem of Hij al gestorven was.

Nadat hij door de honderdman op de hoogte was gebracht

stond hij welwillend het lijk aan Jozef af.

Deze kocht een lijnwaad,

nam Hem van het kruis

en wikkelde Hem in het lijnwaad.

Daarop legde hij Hem in een graf

dat in de rots was uitgehouwen

en rolde een steen voor de ingang ervan.

Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses

zagen toe waar Hij werd neergelegd.)