Gerlachus van Houthem (rond 1120 – gestorven 1165) is de bekendste van de Nederlandse heilige kluizenaars. Hij leefde in de 12e eeuw in de buurt van Houthem.

De feestdag van de heilige Gerlachus wordt gevierd op zijn sterfdag 5 januari.

Toen hij eens als ridder onderweg was naar een toernooi ontving hij het bericht dat zijn innig geliefde vrouw was overleden. Dit raakte hem zo zeer dat hij voortaan een heel ander leven ging leiden. Hij maakte een pelgrimstocht naar Rome.

Daar vroeg hij de paus om advies welke boete hier het beste paste. Deze gaf hem de opdracht: ga voor zeven jaar naar Jeruzalem en leid daar een leven in eenvoud en doe goeds voor anderen. In Jeruzalem meldde hij zich bij het hospitaal van de Ridders van St.Jan. Daar mocht hij als eenvoudig veehoeder werken.

Terug uit het Heilige Land, vestigde hij zich als kluizenaar in Houthem in het Geuldal. Hij vond onderdak in een holle eik. Hij kleedde zich met een harig hemd, een boetekleed, met daarover zijn maliënkolder en sliep op stenen. Als boetedoening mengde hij zijn brood met as en ging elke dag te voet op bedevaart naar Maastricht, naar het gebeente van de heilige Servatius.  Alleen ‘s zaterdags ging hij naar Aken om Onze Lieve Vrouw te vereren. Dan passeerde hij de toen nog jonge abdij Rolduc,  om te biechten.

Bij de mensen stond hij bekend om zijn gestrenge levenswijze, zijn gedrevenheid om mensen voor de boodschap van Christus te winnen, en zijn wonderen. Boeren uit de omgeving brachten hun zieke dieren bij hem in de overtuiging dat ze door zijn handoplegging zouden genezen.

Hij onderhield een briefwisseling met Hildegard van Bingen († 1179; feest 17 september). Hij had ook goede relaties met de pausen van zijn tijd.

Minder goed waren die met de leden van de proosdij in het naburige Meerssen. Die vonden de kluizenaar een buitenbeentje en vertrouwden zijn boetvaardig leven niet. De bisschop van Luik maakten ze wijs dat hij onder de stenen vloer van zijn holle boom een geldschat verborgen zou hebben. De bisschop trapte in die list en gaf opdracht die boom om te hakken en de vloer open te breken. Er werd niets gevonden.

Als goedmakertje en tegemoetkoming voor de geleden schade liet de bisschop van het hout van de boom twee hutjes bouwen: een kapel, en een kluizenaarswoning.

De geestelijke verzorging van Gerlach namen de monniken van klooster Rolduc voor hun rekening.

Maar de relatie met Meerssen verbeterde niet. Toen Gerlach stervende was en om de laatste sacramenten liet vragen, weigerden de kloosterlingen van Meerssen naar hem toe te gaan. Rolduc was gezien de strenge winter te ver weg. Men vertelt dat uit het niets een bejaarde man in een smetteloos wit gewaad zou zijn verschenen. Hij kwam de kluizenaar de laatste communie brengen. Na afloop verdween de figuur weer even geheimzinnig als hij was gekomen. De omwonenden vertelden dat het Sint Servatius zelf geweest moet zijn geweest.

Gerlach stierf op 5 januari 1165.