GLAD IJS?

Leven wij christenen anders dan niet-christenen?

Alleen al door deze vraag te stellen waag ik me wellicht op spekglad ijs. Ik zou namelijk de indruk kunnen geven dat christenen beter zouden zijn dan niet-christenen. Maar maakt u zich geen zorgen: Jezus Christus (van hem komt het christendom) zei duidelijk: “Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars” (Marc.2,17). Het klopt dus niet als je denkt dat het er bij christenen om draait dat zij beter zijn dan de anderen. Ze zijn wél mensen die zich bepaalde daden, een houding, een manier van doen en spreken eigen willen maken: die van Jezus Christus wiens naam ik draag: christen, iemand van Christus; iemand die in hem gelooft, vertrouwen heeft in hem.

Dat kan alleen als je iets van hem weet en hem kent. Hoe is dat mogelijk? Hij loopt toch niet meer rond hier in onze buurt. Bovendien maakt zijn grondpersoneel er soms een puinhoop van door hun gedrag dat niets te maken heeft met de boodschap van Christus (kijk eens bij Mattheüs 18,6 wat hij te zeggen heeft over kindermisbruikers). Maar wat verkeerde mensen gedaan hebben, wie zij ook mogen zijn, kan toch geen reden voor mij zijn om christelijke waarden over boord te kieperen?

Hierover blijven praten kost negatieve energie.

Dat is jammer: we zouden onze energie kunnen steken in een zoektocht naar positief denken, tolerantie, empathie (inlevingsvermogen). Voor iemand die zich christen noemt, kan deze zoektocht gemaakt worden met behulp van het Evangelie. Een oud boek, zegt u? – niet van deze tijd? Iemand die dit laatste zegt heeft het Evangelie nog niet (goed) gelezen. Of vindt de toepassing ervan te moeilijk en schuift het daarom weg. Het Evangelie rustig lezen en erover nadenken – alleen of met anderen – geeft licht en zin aan je leven.

Eigenlijk is het de grondslag van christelijk leven.

Dat is het voor mij al meer als vijftig jaar.

René Graat mhm

Pastoor

BEVRIJD VAN…… – OM IN VRIJHEID TE ……..?

Tijdens een bijeenkomst ter gelegenheid van het 75 jaar bevrijdingsfeest, in het Gemeentehuis van Eijsden-Margraten, ontmoette ik een 96-jarige Amerikaanse veteraan, meneer Brown. Hij had gediend bij een tank eenheid. In Normandië was hij aan land gekomen om te eindigen in Berlijn.

Hij vertelde me: “Toen ik hier van dorp naar stad en steeds verder trok voelde ik me echt niet als een bevrijder. Ik was hier om vijandige soldaten buiten gevecht te stellen. Samen met m’n kameraden hebben we dat gedaan.”

Hij vertelde dit in alle oprechtheid, zonder franjes. En toen keek hij me aan en ging verder: “Gaandeweg ontdekte ik wèl iets anders: steeds vaker moest ik denken aan het verhaal van Kaïn en Abel (volgens de Bijbel de twee zonen van Adam en Eva – Gen. 4 –  Kaïn was jaloers op Abel en sloeg hem dood. Toen God hem vroeg waar Abel was, antwoordde Kaïn dat hij dat niet wist en zei daarbij ook: ik hoef toch zeker niet op mijn broer te passen?) Het antwoord van Kaïn beviel God helemaal niet”.

Meneer Brown ging verder en zei: “Ik begon me meer en meer verantwoordelijk te voelen voor de mensen die ik tegen kwam, want God wil wel degelijk dat we op elkaar passen – en dat probeer ik nog steeds te doen, ook vanuit de rolstoel waarin ik nu zit. Dat is mijn bevrijding.”

Wij vieren dat we 75 jaar geleden bevrijd werden van mensen die onze groot/ouders hùn wil probeerden op te leggen, hùn manier van denken, doen en laten. Zij werden bevrijd van angst, dwang en onzekerheid om zich in vrijheid weer voor elkaar te kunnen inzetten, op elkaar passen.

Het is mijn hoop en gebed dat, 75 jaar na de Bevrijding, alle marmeren, bronzen, houten, granieten en ijzeren oorlogsmonumenten en monumentjes, ons niet alleen herinneren aan onze bevrijders, maar dat ze ons vooral kunnen inspireren tot verantwoordelijkheid en inzet voor iedereen onder ons.

René Graat mhm

pastoor

ONS KERKHOF

Al kiezen veel mensen voor een crematie, er zijn ook een aantal die liever begraven willen worden. Dank zij een flinke groep vrijwilligers is dat in onze parochies (van het Cluster Terlinden) financieel goed mogelijk en bovendien ligt de begraafplaats er ook heel mooi en verzorgd bij.

Op dit ogenblik is dat niet helemaal het geval hier in Banholt.  Sinds enkele maanden zijn er vrijwilligers verschillende uren per week heel actief om de voetpaden weer zo neer te leggen dat je er weer veilig en gemakkelijk overheen kunt lopen. Bovendien krijgt het grasperk ook een opknap beurt. Maar daarvoor moet eerst het oude afsterven voordat het nieuwe een groeikans krijgt. Zodoende ligt het kerkhof er NU niet zo florissant bij.

Sommigen vinden dat het allemaal wel lang duurt. We hadden het natuurlijk veel vlugger kunnen doen door een bedrijf in te huren maar dan had het ons allemaal wel veel geld gekost.

Als u wilt vergelijken wat het kost bij ons en bij een openbare begraafplaats, dan moet u dat zelf maar eens zoeken op het internet. Ik weet zeker dat u verrast zult zijn.

Daarom wil ik hier alle mensen bedanken die zich vaak en hard inzetten om aan onze dierbare overledenen een eervolle en mooie omgeving te bieden bij hun laatste rustplaats. Afgezien van het financiële plaatje bestempelen zij, door arbeidzame inzet, dit kerkhof inderdaad als ONS kerkhof en niet als een anonieme openbare begraafplaats.

Zij zorgen er voor dat onze gemeenschap een gemeenschap blijft – ook over de dood heen.

René Graat mhm

pastoor

KINDEREN – VRIJWILLIGERS

Het wordt steeds moeilijker om kinderen te vinden die een paar jaren misdienaar willen zijn. Enkele keren per maand worden ze dan gevraagd om een bijdrage te leveren aan vieringen in de kerk. Velen onder ons vinden het mooi en zinvol als kinderen op deze manier meeleven en -doen met onze gemeenschap waarvan ze bij hun doopsel lid geworden zijn en bij hun Eerste Communie zijn ze bekend geworden: ze hebben zich voorgesteld aan ons in de voorstellingsmis. 

Op het communiefeest vraag ik de communicantjes of ze misdienaar willen worden. Dan zijn er maar weinig die ‘ja’ zeggen, minder als, pak weg, zes, zeven jaar geleden. Natuurlijk ben ik op de eerste plaats blij met die jongens en meisjes die ‘ja’ zeggen en hun inzet betekent veel voor mij. 

Waar gaat het dan nog meer om? De kinderen die de Eerste Communie deden, hebben kunnen zien en merken hoeveel mensen zich inzetten voor en bezighouden met de voorbereiding op die dag: catechese, voorstellings- en gezinsmissen, Palmpasen, repetities, teksten maken, boekjes opmaken, eventuele versieringen in de kerk, organisatie en begeleiding van de kinderkoortjes, enz. Dit wordt allemaal gedaan door vrijwilligers. Dank zij het werk van vrijwilligers beleven we veel mooie gebeurtenissen in onze dorpen. 

Willen we dat dit blijft doorgaan? 

Vaker als eens hoor ik van ouders: we kunnen onze kinderen niet dwingen om bij deze of gene vereniging, club, beweging of wat dan ook te gaan. Natuurlijk. Maar is zwijgen dan de enige optie? Moet je kind het dan maar zelf uitzoeken? Niemand voedt zichzelf op. Ook kinderen niet. Wat is er mis met een bemoedigend woord, een aansporing, een schouderklopje, een gesprek, een voorbeeld geven? Als het kind geen zin heeft om naar school te gaan, wat dan….? Maar ik heb ook gehoord: als ons kind wel eens geen zin heeft naar het voetbal te gaan, of de harmonie/fanfare, het Mis dienen, of welke club dan ook, dan wijzen we hem/haar erop dat er aan een keuze consequenties vast zitten: andere mensen rekenen erop dat je ook komt. 

Stadsmensen zeggen wel eens: in de dorpen bestaat dag nog (gemeenschapszin en verenigingsleven) alsof het alleen een erfenis uit het verleden is. Veel mensen onder ons vinden deze manier van deelnemen aan de maatschappij een waardevolle invulling van hun leven – en willen dit. 

Daarvoor is wèl bereidheid, inzet, geduld en zo nodig.

En waarom niet jong geleerd? 

 

Ik wens u en jullie allemaal een energie gevende vakantie toe. 

René Graat mhm

pastoor

ONZE KERK: GEMEENSCHAP OF SUPERMARKTAANBIEDING?

Een gemeenschap ken je aan een aantal mensen die samen iets willen beleven, ondernemen of zijn. Die mensen weten ook dat het bestaan bepaald wordt door de inbreng van hen die zich lid van deze gemeenschap voelen.

Bij die inbreng hoort vaak ook een financiële bijdrage.

In een geloofsgemeenschap is dat ook zo. Als er af en toe geen financiële bijdrage geleverd wordt, wordt het voortbestaan onzeker. In onze parochie dragen een aantal mensen de gemeenschap met hun jaarlijkse geldbedrag (gezinsbijdrage). Een andere bron van inkomsten zijn de misintenties en de kaarsen. Voor deze laatste twee bestaan vaste ‘tarieven’. Overigens: we krijgen geen geld van Rome of Roermond (het bisdom). Aan dit laatste betalen we geld!

Bij het doopsel van kinderen wordt gevraagd om een bijdrage naar eigen goeddunken. Een aantal mensen bedenken de gemeenschap goed: zij voelen zich deel-nemende leden van onze gemeenschap. Anderen laten amper een tientje achter.

Dan vraag ik me wel eens af of die mensen de kerk niet zien als een supermarkt waarvan je moet profiteren als voor bepaalde producten de prijs is verlaagd: pik binnen zo lang het nog goedkoop is; of bij de doop: geef zo weinig mogelijk zo lang er geen vast tarief aan vast zit. Deze houding laat zien dat er weinig of geen interesse bestaat voor de gemeenschap: zorg dat het kindje zo goedkoop mogelijk gedoopt wordt want we hebben nog veel geld nodig voor de babyborrel. Wordt dan de (kerk)gemeenschap niet verlaagd tot een organisatie waarvan je gebruik wilt maken in geval je haar nodig hebt (zoals bijvoorbeeld de brandweer) en die je voor de rest niet interesseert, die je voor de rest links laat liggen totdat er weer iets nodig is?

Moeten we voor het doopsel dan ook een ‘prijs’ opgeven? Waarom niet gewoon uit jezelf zeggen: de doop van mijn kindje is best enkele tientjes voor de gemeenschap waard.

Hopelijk bestaat die gemeenschap nog als het kindje groot is.

René Graat mhm

pastoor

BRONK : MET EN VOOR ELKAAR

Op 9 juni, 30 juni en 14 juli vieren we weer onze jaarlijkse Bronken. Ramen worden gewassen, (voor)tuintjes geschoffeld en geharkt, de zondagse kleren opgeborsteld, de vlaggen gladgestreken, de bronkpaaltjes worden nagekeken en nog veel meer. We willen weten dat het Bronkzondag is.

Wij allemaal?

Er zijn mensen die menen dat ze geen échte Kermis hebben als ze niet eerst de Bronk hebben gelopen. Anderen denken daar misschien anders over. (Maar de meesten onder deze groep respecteren toch wat er gebeurt.) De Bronk is niet alleen een kerkelijk gebeuren maar ook een dorpsaangelegenheid. Het is niet alleen een voettocht die we maken door onze dorpen en langs onze velden, om zo een moment te beleven dat we ook met God verbonden zijn en daar eens over kunnen nadenken. De Bronk is ook alles wat er nà komt: bijpraten over van alles en nog wat, meestal met een glas in de hand. Tijdens de Bronk eren we God, daarna eren we elkaar.

Vanzelfsprekend vraagt dit om organisatie. De kern hiervan is al sinds heel lang in handen van de Jonkheid. Al is dit een traditie, we weten ook wel dat in de dagen voor en na de Bronk de Jonkheid heel wat op haar programma heeft staan. Daarom is het goed dat ze bij die organisatie hulp van anderen krijgen. Het is per slot van rekening ook een dorpsgebeuren. En wat de kerk betreft: is de Bronk niet een van die mooie uitdrukkingen van ons als een geloofsgemeenschap? We doen dingen samen. Toch zou het geweldig zijn als er nog enkele Jonkheidsleden – niet alleen bestuursleden – hun schouders willen zetten onder deze traditie, typisch van onze Heuvelland streek.

Niet iedereen viert of doet mee aan de Bronk op dezelfde manier: er zijn kleuters die onder de hoede van jonge vrouwen vrolijk mee huppelen, er zijn ook senioren die rustig een rollator voort duwen. Voor de mensen die tot de jaren van verstand zijn gekomen is een moment voor jezelf, van bezinning, rust, gebed misschien. Moge deze traditie nog lang blijven bestaan!

Ik wens ons allemaal een deugddoende Bronk!

René Graat mhm

pastoor

ZOALS DE OUDEN ZONGEN…..

Op Goede Vrijdag (19 april j.l.) was ik uitgenodigd op de paasviering van de leerlingen en leerkrachten van de Basisschool in Mheer. Zowat al onze kinderen zitten op die school. Veel van de kinderen ken ik en dat maakt het allemaal nog interessanter.

Voor zover ik kon zien, deden alle kinderen mee: van groep acht tot aan de kleuters. En wat deden ze? Ze speelden (net zoals bij de Passiespelen in Tegelen) de laatste week van Jezus Christus vanaf palmzondag tot aan zijn verrijzenis. Ze deden dat op hun eigen manier (dat is de beste, denk ik) met muziek, woord en dans. Wat me opviel was het gemak en het plezier waarmee ze dat deden: het kwam heel spontaan voor de dag. Ze hadden er duidelijk allemaal schik in.

Ik weet niet van wie de ideeën kwamen; in ieder geval hebben de deelnemende kinderen die spelenderwijs overgenomen. Waarschijnlijk zullen er wel enkele leerkrachten de hand in gehad hebben. Ze hebben aan de leerlingen gegeven wat ze te bieden hadden. En de kinderen weten nu dat Pasen iets te maken heeft met Jezus die vanuit de dood weer tot leven kwam.

In hun spel was ook sprake van vriendschap (en het tegendeel daarvan), hulp aan anderen en vooral: elkaar aannemen. Dit laatste gebeurde bewust of onbewust, dat weet ik niet, maar het gebeurde. Waarschijnlijk omdat oudere mensen hen daarop gewezen hadden …. Ik voelde echt een open en constructieve sfeer waarin iedereen opgenomen was. Heel inclusief, voor iedereen – gewoon katholiek.

Het bleef niet alleen bij woord, zang en spel. De kinderen kwamen ook allemaal met het door hen bij elkaar gesprokkelde geld voor de Vastenaktie.

Dat bleek bij telling te zijn € 631,- .  Geweldig!!!

Met mijn beste wensen,

René Graat mhm

pastoor

 

VASTEN OF VASTER ?

Volgens een woordenboek betekent ‘vasten’: “zich onthouden van eten of drinken” – dus iets niet doen. In de katholieke kerk geeft dit woord ook de periode aan van Aswoensdag tot Pasen (40 dagen – als je de zondagen niet meerekent). De redenen waarom iemand zich onthoudt van eten, drinken, roken, snoepen, enz. kunnen verschillend zijn. Als het alleen maar gaat om iets te laten omdat dit een gewoonte zou zijn in de aanlooptijd naar het Paasfeest dan zie ik daar het nut niet van in, tenzij het gaat om gezondheids vasten (op bijvoorbeeld gewicht kwijt te raken).

De periode waarover we het hebben is een tijd waarin we – naar het voorbeeld van Jezus in de woestijn – uitgenodigd worden om ons te bezinnen, eens goed na te denken over bepaalde waarden in je leven. Eén daarvan zou kunnen zijn je relatie, met je partner, je kind, ouder, Jezus Christus, een collega, clubgenoot…. Kun je die verbeteren door bepaalde voor/oordelen ‘af te schaffen’ of bij te stellen? Of nagaan wat er in de afgelopen tijd in je leven allemaal is aangeslibd aan modder die tot niets (meer) dient: sleur, inhoudloze gewoontes, vastgeroeste meningen (voor / oordelen), negatieve houding naar christelijke waarden zoals naastenliefde, vergeving, geduld, tolerantie.

Dit soort bezinning is niet voor de poes. Dit vraagt nogal wat: eerlijkheid met jezelf en naar anderen. Die laatsten zou je eventueel nog kunnen belazeren maar jezelf niet! Aangeslibde gewoontes loslaten kan wringen, toegeven dat je hier en daar verkeerd geweest bent en dat er dingen verbeterd moeten worden, dat valt ook niet altijd mee.

Om mezelf te steunen bij dit ‘project’ helpt het om mijn eet- en drinkgewoontes te versoberen. Dit herinnert me eraan om alert te blijven in deze tijd en om me regelmatig, door de dag, te concentreren op en te denken aan mijn voornemens. Kortom: het vasten helpt me om bij de les te blijven.

De bedoeling van dit alles is vaster te komen staan in mijn relaties maar ook om meer helderheid te krijgen in m’n leven, mijn doen en laten. Naar het voorbeeld van Jezus Christus. Uiteraard moet je daar wel wat tijd in steken door de dag. Ook dat kan al een extra inspanning vragen.

De versobering in eten en drinken spaart natuurlijk wel geld uit. Dat (uit)gespaarde geld kan ik geven aan noodlijdende mensen. In onze drie parochies bestaat de mogelijkheid om dat te doen via de Vastenaktie. Een geweldig voorbeeld daarvoor zijn onze kinderen op de Basisschool. De afgelopen twee jaren hebben die geweldig bedragen bij elkaar gesprokkeld!

Ik wens jullie allemaal een vruchtbare vasten- en Paastijd toe.

René Graat mhm

pastoor

 

ACHTER IN DE KERK

Niet alle informatie wordt doorgegeven via computer, I-pad, mobiele telefoon, en zo. Soms gebeurt het dat informatie wordt geschreven op een stuk papier en dan laat men dit lezen in een krant, een (reclame)folder, op de Den – of achter in de kerk. Als u daar naar binnen komt (of uitgaat) ziet u er allerlei blaadjes, folders, kleine boekjes of zoiets. Er kan interessante informatie bij staan. Stel dat u een warenhuis binnenloopt in een grote stad. U zult daar echt niet de hele zaak leeg kopen. U neemt er in elk geval de tijd voor om het een en ander te keuren en uiteindelijk te kiezen. Alleen als u iets aantreft wat u interesseert, zult u het aanschaffen. Als de prijs en uw beurs dat toelaten.

Achter in de kerk treft u alles gratis aan.

Tenzij – zeer zelden – anders vermeld.

Natuurlijk is niet al het leesmateriaal interessant voor iedereen. Maar soms liggen er blaadjes/bladen die je verrassen. Daar kom je wel achter als je de tijd neemt om er even door heen te neuzen. Of je er wijzer van wordt, daar kom je later wel achter. Je wordt er in geen geval dommer van.

Bovendien is niemand van ons te oud om nog wat bij te leren.

En voor de prijs hoef je het niet te laten….

Veel leesplezier!

 

René Graat mhm

Pastoor

DEELNAME

In steden worden meer kerken gesloten als in dorpen. Zijn dorpen dan financieel rijker als steden? Dat weet ik niet. Wat ik wel weet is dat er in (onze) dorpen meer gemeenschapszin te bespeuren valt als in menige stad. Zou het dan niet goed zijn om dat gevoel ook levend te houden? Verenigingen, clubs, sociëteiten, enz. leven dankzij de leden die naar bijeenkomsten, vergaderingen en vieringen komen. Als er niemand meer komt, houdt de vereniging vanzelf op te bestaan.

Een tijdje geleden zei ik in een van onze kerken dat ik je persoonlijke band met Jezus Christus belangrijker vind als elke zondag naar de kerk te gaan. De zondagsviering heb ik daarmee helemaal niet aan de kant willen schuiven. Integendeel. Het is een kwestie van en/en, niet van of/of.

In onze parochies proberen we elke zondag met een aantal mensen (kosters, misdienaars, acolieten, zangers/zangeressen, lectoren, bloemverzorgsters en nog anderen) een viering aan te bieden voor onze gemeenschappen. Dat kan een eucharistie viering zijn of een woord- en communieviering. Daar komen we bijeen om ons geloof en onze gemeenschap te vieren – en daarmee te versterken. Heel belangrijk daarbij vind ik dat de leden van onze gemeenschap daaraan deelnemen. Dat wil zeggen: je bent uitgenodigd om mee te zingen, mee te bidden, mee te denken. Jouw deelname zal mede het gehalte van de viering bepalen. In die mate dat je (zèlf écht) deelneemt, zul je ook iets meekrijgen van deze bijeenkomst.

Een jaar of 50 en meer was het de gewoonte voor katholieken om zowat elke zondag naar de kerk te gaan. Het werd door een aantal mensen ook ervaren als een verplichting. (Als dit laatste het geval is, dan schieten we ons doel natuurlijk finaal voorbij.) Maar het is misschien zinvol om eens na te denken over dit: soms iets doen waar je geen zin in hebt maar waarvan je voelt/weet/meent dat het toch goed is om te doen, is dat verkeerd? Wie bepaalt het antwoord hierop? De buurman, een journalist of collega – of jij zelf?

Ik wens jullie een vruchtbare zoektocht.

René Graat mhm,

pastoor